Overige onderwerpen

Op deze pagina worden allerlei onderwerpen behandeld die niet bij de andere categorieen zijn in te delen.


Uitgelichte vensters

In het oudst bewaard gebleven kerkerekeningenboek van 1687-1702 wordt reeds melding gemaakt van het feit dat de kerkvoogdij kleine stukjes grond verhuurde aan inwoners uit het dorp om er hun groenten en peulvruchten te kweken. In 1688 is sprake van "een thuijn omtrent een halff pondemate op het Zuijd van de buijren wordende bij boelgoet aen ackers verhuijrt". In 1691 komen de volgende posten in de rekeningen voor: "5.2.0 ontvangen van Heijn Heijns wegens twee jaar huijr van drie ackers  thuijn; 3.0.0 van Isbrant Johannes wegens twee ackers thuijn; 1.17.0 van Marten Willems een jaar huijr van drie ackers thuijn; 1.12.0 van Bastiaan Jelles van een acker thuijn; 0.14.0 van Jan Harmens wegens 1 jaar huijr van een acker thuijn". Daarna komen er lange tijd geen posten in de rekeningen voor die wijzen op inkomsten uit tuinactiviteiten. Wanneer in 1831 het kosterijplaatsje aan de Goudtsjeblomsteech voor het eerst niet meer wordt verhuurd, worden de bijbehorende vier stukken land los verhuurd. Hierbij behoort ook een perceel, groot vier pondemaat, gelegen langs de Boalserter Feart dat later bekend zal worden als "de Bouwviere". De verhuur als los kerkeland duurt tot 1851. In dat jaar wordt te Easterlittens een commissie van werkverschaffing opgericht. De armoe en werkloosheid was vooral in de winter groot onder de arbeidende stand en de schippersbevolking, waarvan de laatstgenoemde categorie te Easterlittens steeds talrijk vertegenwoordigd is geweest. De commissie van werkverschaffing leverde een bijdrage door deze armen en minder gegoeden in de wintertijd 'iets te laten verdienen en hen daardoor in de gelegenheid te stellen om in eigen onderhoud en dat van hun gezinnen te voorzien.      ' De commissie, ook wel vlascommissie genoemd, huurde in 1851 en 1852 de vier pondemaat voor f 200,-, later voor f 150,- per jaar van de kerkvoogdij en verbouwde er in de zomer vlas op. Het vlas werd dan in de winter door de werklozen verwerkt tot producten, welke later verkocht werden voor een zodanige prijs dat er enige winst kon worden gemaakt. De commissie van werkverschaffing was ook op andere wijze actief. Zo betaalde de kerkvoogdij in 1856 aan penningmeester Jan Willems de Roos f 13,26 “wegens de vervloering van de Goudtsjeblomsteech met stalt en opslag", door werklozen uitgevoerd. In 1859 betaalde de kerkvoogdij aan de commissie f 200,- "als aannemingssom voor 't vervoer van 500 kubieke ellen aarde naar de Buremieden". In 1861 ontving de commissie f 44,21 voor steenkloppen. Nadat men reeds enkele jaren minder gebruik van de werkverschaffing maakte, werd in 1864 door de gemeenteraad besloten de commissie op te heffen onder bepaling "dat al haar bezittingen zouden komen ten voordele van de algemene armvoogdij". Easterlittens is de enige plaats in de gemeente geweest waar een dergelijke commissie heeft bestaan waarvan de leden door de gemeenteraad werden benoemd. De Bousfjouwere. In 1866 werd de vier pondemaat land voor het eerst als volkstuin gebruikt. De kerkvoogden verhuurden het tot 23 percelen verkavelde land in de herberg. Dit geschiedde bij opbod met inbegrip van strijk- en verhooggelden en voor een periode van drie jaar. De huuropbrengst in het jaar 1866 bedroeg f 244,59. Enkele artikels van de huurvoorwaarden luidden: - "als huurders worden alleen aangenomen personen die te Oosterlittens wonen en tot volkomen genoegen van verhuurders (kerkvoogden) zijn; -  tot strijkgeld wordt uitgeloofd 20 cents voor ieder perceel en tot verhooggeld 10 cents van elken vollen gulden". In 1888 werden de verhooggelden afgeschaft. Een tegelijkertijd ingediend voorstel m.b.t. "de wenselijkheid de Bouwviere weder meer aan zijn oorspronkelijke doel te doen beantwoorden en dus alleen arbeiders en geen burgerlieden als huurders toe te laten" behaalde geen meerderheid in het college van kerkvoogden en notabelen. In 1894 werd de Bouwviere opnieuw verkaveld, nu tot 38 kleinere percelen. Tot in 1917 werd de huur van de Bouwviere in de herberg betaald. Bij deze gelegenheid waren personen aanwezig, welke geen bouwgrond in huur hadden en zich er later op beroemden “op kosten van de kerk koffie te hebben gedronken en een zak vol sigaren te hebben meegenomen naar huis". Het resultaat van dit voorval was dat in volgende jaren de tuinhuur werd opgehaald. In 1918 werd de publieke verhuring afgeschaft en een uniforme huur prijs van f 5,- per perceel vastgesteld. Ongeveer 1972 werd t.g.v. een verminderde belangstelling de noordelijk gelegen helft van de Bousfjouwere veranderd in weiland. De Suderbou. In 1917 kwam in de gemeenteraad van Baarderadeel de voedselvoorziening in Nederland ter sprake. Naar aanleiding van deze besprekingen besloten de kerkvoogden van Easterlittens, evenals die uit andere dorpen in de gemeente, om greideland om te zetten in bouwland. Een deskundige achtte het door kerkvoogden voor dit doel aangewezen stuk greideland, het tegenwoordige sportterrein, zeer geschikt om er bouwland van te maken. Dit land maakte aanvankelijk deel uit van de Buorrefinne maar werd er tussen 1911 en 1912 van gescheiden door het graven van een sloot. In 1918 werd het gescheurde perceel beplant met aardappelen, rapen en kool. De geteelde producten gingen naar de veiling en naar het distributiebureau. Na de Eerste Wereldoorlog werd door kerkvoogden en notabelen besloten de bouwgrond te verkavelen tot perceeltjes tuingrond. Na de Tweede Wereldoorlog verflauwde de belangstelling voor de Zuiderbouw en bleven diverse percelen braak liggen. In 1954 is deze weer veranderd in weiland. Als zodanig is het gebruikt tot 1962, toen het sportterrein is aangelegd.

Thans  behoort  het  ophalen van huisvuil tot  de  openbare  voorzieningen. Vroeger ontbraken  zulke voorzieningen en  brachten de inwoners van Easterlittens hun afval naar de zgn. “asch-bak”. Deze wordt in 1689 genoemd en is gelegen noordelijk van het kosterijplaatsje in de ''Buorren'' op de latere kerketuin.   Vanaf het jaar 1855 was er in Easterlittens sprake van een door de kerkvoogdij begeleide afvoer van dorpsvuilnis naar buiten de dorpskom, vooral de faecaliën. De kerkvoogdij verhuurde toen aan Pieter Pieters Dijkstra een klein stukje grond van de Burefenne, zuidelijk van de  Meer aan de Frjentsjerter Feart (A). Hij betaalde lange  tijd    f   8,- per jaar als huur voor ''de ligplaats der asch- en mengbelt''. In 1869 nam Jan Gerrits de Jong deze functie van Pieter Dijkstra over. De kerkvoogdij belastte hem met ''de verzameling der asch en vuilnis''. De Jong diende er voor te zorgen dat vóór 9 uur ‘s morgens de ''secreten'' in het dorp geledigd waren. Daarbij behoorden ook de beide door de kerkvoogdij geplaatste en door haar onderhouden secreten aan de Goudtsjeblomsteech (tussen het lokaal en de naastgelegen woning) en bij de Noarderhaven. Deze al voor 1878 geplaatste ''húskes'' werden door schippers gebruikt maar ook door diverse huishoudingen uit het dorp die niet zelf over een secreet beschikten. In 1884 besloot de gemeenteraad op verzoek van Jan G. de Jong hem een jaarlijkse toelage te betalen van f 50,- voor het schoonhouden van de straten en goten en voor het uitbaggeren van de haventjes. Een dergelijke regeling bestond toen al in Jorwert. Jan Gerrits de Jong was tot 1900 dorpsreiniger. In 1900 nam zoon Dirk de Jong de betrekking van dorpsreiniger van zijn vader over. Drie jaar later werd hij door de gemeenteraad als officiëel dorpsreiniger benoemd voor een loon van f 3,- per week. Dit geschiedde omdat de dorpsarmvoogdijen per 1 januari 1903 waren opgeheven. Daarmee verdween in verschillende dorpen het toezicht van de armvoogden op de verzameling der faecaliën. Overigens was het in Easterlittens de kerkvoogdij geweest die steeds het toezicht op de verzameling der faecaliën had. In 1903 kwam er dus een uniforme regeling voor dorpsreinigers voor alle dorpen in de gemeente. In 1908 kwamen het gemeentebestuur en de kerkvoogdij van Easterlittens overeen een nieuwe stortplaats voor fecaliën te stichten, enkele honderden meters zuidwaarts op de Burefenne aan de Frjentsjerter Feart (B). De gemeente zou dan voortaan de gehele voorziening der dorpsreiniging op zich nemen. Als "tegenprestatie" betaalde de kerkvoogdij f 1.500,- voor de bouw der faecaliënplaats. Deze is tot 1950 in gebruik geweest, waarbij de dorpsreiniger steeds per praam het vuilnis afvoerde. Op 19 december 1908 werd Rutger Fopma tot dorpsreiniger benoemd in de plaats van Dirk de Jong. Bij vervulde de functie tot 1920. In dat jaar werd Hielke Broersma uit Baard als dorpsreiniger benoemd voor de dorpen Easterlittens, Baard, Húns en Leons. Zijn maandsalaris bedroeg f 60,- plus de opbrengst der faecaliën. Broersma verrichtte zijn werkzaamheden met praam, kruiwagen, enz. tot 1950, toen Baarderadeel een reinigingsauto kreeg, die met vier man personeel de gehele gemeente "bewerkte".

In alle tijden is er behoefte geweest aan goed drinkwater. Daarbij diende het dak van de huizen meestal als opvang voor het regenwater, dat vanaf de dakgoten via pijpen naar een regenwaterbak werd geleid. Wanneer een woning van eigenaar verwisselde, werd de verkoopprijs mede bepaald door een eventueel aanwezige regenwaterbak. Vooral gedurende droge zomers was er dikwijls gebrek aan regenwater. Lang niet iedere woning had een regenwaterbak. Er was in Easterlittens een geval van een blok woningen waarin zes gezinnen waren gehuisvest terwijl slechts één gezin over een regenwaterbak kon beschikken. Vele kerkvoogdijen gingen in de 19e eeuw over tot het stichten van een regenwaterbak. Door  het grote oppervlak van het kerkdak kon een grote hoeveelheid water worden opgevangen. In 1870 werd door de kerkvoogdij van Easterlittens een publieke inschrijving gehouden tot het maken van een regenwaterbak bij de kerk en het maken van goten rondom het kerkdak. Het werk werd gegund aan Tj. Pijnakker voor f 1.224,-. De plaatselijke timmerman Simon Reisma maakte tekening en bestek, leverde de pomp, pijpen en pompsteen en verzorgde tevens het hek- en straatwerk. De regenwaterbak was geplaatst tegenover de toren, naast de woning Huylckensteinstrjitte nr. 15. De verpachting van de bak gebeurde publiekelijk in de herberg, steeds aan het eind van het jaar. De huurperiode liep van 1 januari tot 31 december. In 1905 werd een tweede regenwaterbak op het schoolplein van de Openbare School aan de Baerderdyk in gebruik genomen. De bak werd door timmerman Sijtse Gaasterland gebouwd voor f 420,-. In 1929 had de zuivelfabriek in Easterlittens zich bereid verklaard zich aan te sluiten bij de waterleiding. Hiervoor werd de van Mantgum komende buisleiding verlengd naar de dorpen Baard en Easterlittens. De waterbak bij de school werd gedempt terwijl de bak bij de kerk voor het laatst in 1953 werd verhuurd en daarna gesloten vanwege zijn gebrekkige toestand.

In 1913 leek de komst van elektrische verlichting in Baarderadeel aanstaande. Toen eind december van dat jaar de voorlopige aanvragen voor aansluitingen van particulieren bemoedigend bleek te zijn (59 aansluitingen in Easterlittens) besloot de gemeenteraad tot aanleg van elektrische verlichting in de gemeente. De Eerste Wereldoorlog zorgde er echter voor dat de plannen niet tot uitvoering kwamen en daarom nam de kerkvoogdij zelf initiatieven om te komen tot elektrische verlichting. Er wordt een vereniging opgericht die de dynamo zal aanschaffen en laten plaatsen, de leidingen zal aanleggen en de lampen opstellen. De directie van de zuivelfabriek stelt haar gebouwen ter beschikking voor het plaatsen van de dynamo. Niet alleen de kom van het dorp wordt op het elektriciteitsnet aangesloten, ook Wieuwens, Molenhorne, Pelsen, de vellenbloterij van Van der Feer en de helling worden aangesloten. Twintig huisgezinnen op Wammert, Skrins, Langwert en een aantal woningen aan de Baerderdyk worden niet op het net aangesloten, evenals herberg Huylckenstein. De plannen worden verwezenlijkt en de “buorren” werden vanaf 1919 door de zuivelfabriek van stroom voorzien. Easterlittens was daarmee het eerste dorp in de gemeente met een eigen centrale. Deze leverde stroom voor de verlichting in de woningen en voor de straatlantaarns die op diverse plaatsen in het dorp waren geplaatst. In 1920 verzocht de “Coöperatieve Vereniging tot Exploitatie van de Electriciteits-voorziening” aan het gemeentebestuur om het bedrijf over te nemen. Eerder was al de exploitatie van het elektriciteitsbedrijf in Mantgum overgenomen. Bij de onderhandelingen met het gemeentebestuur bleek het geboden bedrag onvoldoende en bleef de vereniging tot 1928 bestaan. Op 1 januari 1928 nam het PEB in Leeuwarden het bedrijf over van de plaatselijke vereniging die toen is opgeheven.

In de 17e eeuw was er al geregeld sprake van briefverkeer, vooral tussen de steden. Voor de dorpen lag het moeilijker. Iemand reisde naar de stad en nam een brief of pakje mee en bezorgde dat op het juiste adres. Tot het midden van de 19e eeuw hebben de trekschuitschippers actief meegewerkt aan het overbrengen van brieven en pakketten. In 1851 kwam er een nieuwe wet op het postwezen tot stand. Vijf inwoners van Easterlittens verzochten het gemeentebestuur van Baarderadeel om maatregelen te nemen om een geregelde postdienst op het dorp te krijgen. De herbergier van Huylckenstein kwam met het gemeentebestuur overeen om als eerste postbesteller op te treden. Hij zal de brieven voor Easterlittens direct na aankomst van de trekschepen aan de adressen bezorgen. Voor het rondbrengen van iedere brief of klein pakje ontvangt hij 21/2 cent, voor grotere voorwerpen een vergoeding naar evenredigheid. De PTT stond nog in de kinderschoenen, de eerste postzegels verschenen pas in 1852. Na Piekema worden in de beginperiode als postbestellers Andries Roelofs Zijlstra en Sjoerd Sijbes de Vries genoemd. Laatstgenoemde vertrok in 1881 naar Weidum en werd opgevolgd door Pieter Johanneszn Wagenmakers uit Baard. Hij liet in 1886 een woning bouwen op It Plein (A) dat tevens werd gebruikt als postkantoor. In 1904 werd zijn zoon Pieter Pietersz Wagenmakers kantoorhouder in het pand Huylckensteinstrjitte 1 (B). In 1908 werd door verschillende inwoners van Easterlittens een verzoek aan het gemeentebestuur gericht om het pand tevens in te richten als hulptelegraafkantoor. Dit gebeurde een jaar later. In 1914 bouwden de kerkvoogden een nieuw pand op de hoek van It Plein (C). In het pand werd tevens een telefooncentrale aangelegd en in 1914 kreeg Easterlittens eindelijk een verbinding met het telefoonnet. Kantoorhouder Pieter Wagenmakers was in het nieuwe pand werkzaam van 1914 tot 1940. Hij werd opgevolgd door zijn oomzegster Janke Oosterhof-Wagenmakers. In 1947 werd zij opgevolgd door haar man Sipke Oosterhof. In 1969 werd het postkantoor een postagentschap dat van 1969 tot 1973 werd waargenomen door Romke Lemstra en vanaf 1973 door Geesje Oost-Lukkes, beide in pand (D) aan De Brân.



Nomineer een onderwerp voor deze dorpscanon